Eind mei 2013 werd het monument Schaduwkade onthuld. Afgelopen 4 mei vond al weer de 13e herdenking plaats.
Dit keer verzorgde het Bosmans kwartet de muziek. Dit strijkkwartet, bestaande uit vier studenten van het conservatorium Amsterdam, speelde een stuk van Anton Webern en een deel uit het strijkkwartet van Henriëtte Bosmans, de naamgeefster van het kwartet.
Om 19.45 leidde Heleen Gans, één van de bewoners en lid van de initiatiefgroep Schaduwkade, de herdenking in en kondigde de spreker aan. Zij vertelde dat de initiatiefgroep er steeds voor kiest om een spreker uit te nodigen die een binding heeft met de buurt of liever zelfs nog met dit stukje Nieuwe Keizersgracht. Dat past naar het gevoel van alle betrokkenen helemaal bij het streven om hier aan de Schaduwkade in het klein tastbaar te maken wat in het groot nooit echt te bevatten zal zijn.
Ook deed zij een oproep aan mensen die zelf hun familieverhaal willen vertellen of die iemand kennen die dat zou willen en kunnen doen. Wie informatie over huizen aan de Schaduwkade en hun Joodse bewoners heeft die nog niet op de site staat, laat het weten!
Toen sprak Mevrouw Bloemendal-Olman over de binding van haar man Philip Bloemendal met een jonge vrouw, wier naam zij tegenkwam op de Schaduwkade. Haar woorden zijn hieronder terug te lezen.
Na haar ontroerende verhaal speelde het Bosmans kwartet nog even en daarna gingen de lantaarns aan en hielden we twee minuten stilte.
Toen de lantaarns weer uitfloepten zong Sacha van Ravenswade “Eli, Eli”, waarbij hij neuriënd een mooie overgang maakte van stilte naar zang.
Na zijn gezang kon iedereen een roos bij één van de naambordjes leggen, een altijd weer mooi en betekenisvol ritueel.
Een deel van de aanwezigen heeft hierna in Dignita/de Hoftuin nog wat gedronken en nagepraat, een waardevolle afsluiting van de herdenking.
Tekst 4 mei 2026
Monument ‘de Schaduwkade’
Het popje van Tootje
Veel dank aan de initiatiefgroep Schaduwkade dat ik hier vandaag iets mag vertellen over een van de bewoners van Nieuwe Keizersgracht, te weten:
Cato Englander, die met haar ouders, zusje en broertje op nummer 64 woonden.
Alle 5 gezinsleden Englander werden op dezelfde datum,
11 juni 1943, in Sobibor vermoord.
…
Mijn naam is Mieke Bloemendal-Olman.
Ik ben overlevende van de Holocaust dankzij het feit dat ik, als baby van 9 maanden, in Den Haag liefdevol werd opgenomen door een kinderloos echtpaar.
Na de bevrijding werd ik herenigd met mijn biologische ouders en mijn driejaar oudere zusje. Allen hadden we, via de onderduik op diverse adressen, miraculeus de oorlog overleefd.
…
In 2018 ontdekte ik bij toeval dit indrukwekkende monument ‘Schaduwkade’.
Ik was direct zeer getroffen door de bijzondere vormgeving.
In stilte en ontroerd liep ik alle namen langs.
Bij nummer 64 raakte ik echter helemaal van slag bij het lezen van de namen van het gezin Englander.
In het bijzonder trof mij de naam van Cato, roepnaam Tootje.
Deze naam echoot namelijk al bij mij sinds ik mijn man Philip Bloemendal leerde kennen.
Hij sprak áltijd over ‘het popje van Tootje’: een talisman gedurende zijn hele leven.
Het verhaal achter ‘het popje van Tootje’
Tootje Englander was verliefd op Harry Bloemendal, de jongere broer van Philip.
De verliefdheid was wederzijds.
Mogelijk hebben ze elkaar leren kennen op een van de koren die Tootjes vader dirigeerde.
Harry had een mooie, warme bariton-stem met een voorliefde voor de liederen van Mahler vertelde Philip.
Waarschijnlijk hebben Tootje en Harry elkaar vaker kunnen ontmoeten toen Harry bij de Joodse Raad ging werken, hier op de Nieuwe Keizersgracht, nummer 58.
Harry had een functie op de afdeling ‘Evacuatie/Arbeitseinsatz’.
Daardoor was hij in staat om te ‘sjoemelen’ met de namenlijst van de Zandvoortse joden die naar Amsterdam moesten evacueren: hij zette de namen van zijn broer Philip én van hemzelf niet op die lijst…
Wel, noodgedwongen, die van zijn moeder en tante.
Zijn werk bij de Joodse Raad betekende echter ook het einde van de relatie met Tootje.
Harry ontmoette daar een andere Joodse vrouw die, zoals Philip beschrijft in zijn ‘Autobiografische notities’, zijn noodloot zou worden.
Harry was ten einde raad toen zij was opgepakt en hij volgde haar naar Westerbork.
Harry werd vermoord in Auschwitz
op 31 maart 1944 – 22 jaar oud.
Tootje had veel verdriet om de beëindigde relatie met Harry en zij vond korte tijd troost bij Philip.
Van haar kreeg hij, voordat Tootje werd gedeporteerd, een zelfgemaakt grijs wollen popje met de woorden: ‘dit popje zal je altijd beschermen’.
Het popje werd Philips talisman!
Hij heeft het áltijd bij zich gedragen, zorgvuldig opgeborgen in zijn portefeuille.
Eenmaal waren we al uren onderweg naar Frankrijk toen we zelfs zijn teruggereden naar huis:
het popje lag nog in zijn portefeuille op zijn bureau bij het Nederlandse geld.
Zonder zijn talisman reizen was absoluut geen optie.
Philip zei altijd: ‘het popje van Tootje’ heeft mij inderdaad altijd beschermd, ik heb het immers als enige van het gezin overleefd.
Philip overleed op 22 februari 1999,
hij werd 80 jaar.
Gedurende zijn ruim 40-jarige carrière na de oorlog bij het bioscoopjournaal van Polygoon sprak hij in interviews zelden over zijn eigen Joodse wortels, noch over zijn onderduikperiode.
Uitzondering is het interview in 1981 in dagblad Trouw met de kop:
‘het wollen popje van Cato Englander’
Dit interview is terug te lezen op de website van de Schaduwkade.
Tot slot
Philip had als wens geuit dat het ‘popje van Tootje’ mee in zijn graf zou gaan.
In de hectiek na zijn overlijden ben ik dat toen,
tot mijn grote spijt, vergeten.
Die omissie heeft voor mij nu een onverwacht pósitieve wending gekregen met deze toelichting op de geschiedenis van dit kleinood.
Het popje blijft zorgvuldig bewaard voor Philips nazaten, le dor wa dor, van generatie op generatie!
En het is tegelijkertijd symbolisch terug bij Cato Englander die, totdat zij gedeporteerd en daarna vermoord werd, hier tegenover woonde,
op nummer 64.
Mieke Bloemendal-Olman
4 mei 2026
